TERUG naar Overzicht van Vc 2000 en Vc 2013
In onderstaande tabel staat in de linker kolom de tekst van de bepaling zoals die op 31 maart 2013 luidde in Vc 2000.
In de rechter kolom staat de HUIDIGE tekst zoals die OP 1 april 2013 in de Vc 2013 voorkomt.
Vc 2000

Vc 2000 A4/3.3. Verkorten of onthouden van de vertrektermijn

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in artikel 62, tweede lid, Vw de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten dan wel te bepalen dat de vreemdeling Nederland (het grondgebied van de Unie) onmiddellijk moet verlaten. De Korpschef, dan wel de Commandant der KMar kan ingevolge artikel 1.4 Vb zelfstandig tot verkorting van de vertrektermijn besluiten.

De vertrektermijn wordt op grond van artikel 62, tweede lid, Vw, onthouden indien:

  • een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;

  • de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

  • de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

    Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wordt op grond van artikel 6.1, lid 1 en 2, Vb aangenomen indien ten minste twee van de feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b Vb op de vreemdeling van toepassing zijn. Echter, ook als twee of meer feiten of omstandigheden aanwezig zijn, zal niet zonder meer sprake zijn van een risico op onttrekken aan toezicht. Steeds is vereist dat nader wordt toegelicht waarom uit de geconstateerde feiten of omstandigheden kan worden afgeleid dat aannemelijk is dat dit risico zich voordoet. Dit is slechts anders als uit de aard van de betreffende feiten of omstandigheden reeds aanstonds van zodanig risico blijkt.

    Onverkort het gestelde in artikel 6.1, lid 2 Vb juncto artikel 5.1b, lid 2, Vb brengen de volgende feiten en omstandigheden naar hun aard aanstonds een risico op onttrekken aan toezicht met zich mee:

    a.

    Nederland niet op voorgeschreven wijze binnenkomen en zich vervolgens in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht onttrekken (artikel 5.1b, eerste lid, onder a, Vb);

    b.

    Eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven (artikel 5.1b, eerste lid, onder c, Vb);

    c.

    Niet dan wel niet voldoende meewerken aan de vaststelling van identiteit en nationaliteit (artikel 5.1b, eerste lid, onder d, Vb);

    d.

    In verband met de aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt met betrekking tot de identiteit of nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat (artikel 5.1b, eerste lid, onder f, Vb);

    e.

    Zich zonder noodzaak hebben ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten (artikel 5.1b, eerste lid, onder g, Vb);

    f.

    In het Nederlandse rechtsverkeer gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste documenten (artikel 5.1b, eerste lid, onder h, Vb);

    g.

    Tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard als bedoeld in artikel 67 Vw dan wel onderworpen zijn aan een inreisverbod met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw (artikel 5.1b, eerste lid, onder m, Vb) en niet onmiddellijk vertrokken na oplegging ervan terwijl daartoe wel gelegenheid bestond. Als na bekendmaking van het besluit tot ongewenstverklaring dan wel het besluit tot opleggen van een zwaar inreisverbod direct, op dezelfde dag, inbewaringstelling plaatsvindt, kan het niet onmiddellijk vertrekken uiteraard niet worden tegengeworpen.

    Een risico op onttrekken aan toezicht zal niet worden aangenomen bij een eerste asielaanvraag, tenzij het een grensgeweigerde of een in bewaringgestelde vreemdeling betreft, de vreemdeling zich niet onverwijld heeft gemeld voor het indienen van een asielaanvraag of indien tegen de vreemdeling reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.

    Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.1b, lid 1 onder j, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en Vc B1/4.3.3.

    Van de mogelijkheid om de vertrektermijn te onthouden wegens kennelijke ongegrondheid van de verblijfsaanvraag wordt geen gebruik gemaakt, aangezien kennelijke ongegrondheid van de verblijfsaanvraag als afwijzingsgrond niet is beschreven in de nationale wetgeving.

    Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking of veroordeling ter zake van een misdrijf. Ook het aanvaarden van een transactie ter zake van een misdrijf wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. Een verdenking moet kunnen worden bevestigd door de Korpschef.

    Om te kunnen spreken van gevaar voor de nationale veiligheid is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.

    Bij EU-/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, is verkorting of onthouding van de vertrektermijn alleen mogelijk in naar behoren aantoonbare dringende gevallen (zie artikel 8.24, derde lid, Vb en A6/5.3.3.7). Hiervan is slechts sprake bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde (AbRS, 15 juli 2005, 200505057/1).

    De verkorting of onthouding van de vertrektermijn kan op twee manieren door de rechter worden beoordeeld:

  • indien de Minister de vertrektermijn tegelijk met de afwijzing van de aanvraag verkort of een vertrektermijn onthoudt, dan zal de rechter die kortere vertrektermijn, als onderdeel van het bij de meeromvattende beschikking horende terugkeerbesluit, kunnen beoordelen;

  • indien de Minister pas na afloop van het beroep op de rechter de vertrektermijn verkort, dan wordt dit gezien als heroverweging van het eerdere terugkeerbesluit, waar ingevolge artikel 75 Vw beroep tegen open staat.

    Het verkorten of onthouden van de vertrektermijn heeft overigens geen gevolg voor de termijn waarbinnen de vreemdeling bezwaar of beroep kan instellen. Deze termijn blijft in genoemde situaties in het algemeen vier weken, tenzij de aanvraag in de algemene asielprocedure wordt afgedaan, in welk geval de beroepstermijn een week bedraagt (zie artikel 69, eerste en tweede lid, Vw).

    De vreemdeling die reeds eerder een terugkeerbesluit heeft gehad en niet heeft voldaan aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting (inclusief vertrektermijn) krijgt op grond van artikel 62a, eerste lid, en onder a, Vw in beginsel niet opnieuw een vertrektermijn. De gedachte hierachter is dat deze vreemdeling een eerder opgelegde vertrektermijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een vreemdeling die een opvolgende aanvraag indient, terwijl niet gebleken is dat hij gehoor heeft gegeven aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit met vertrektermijn. Indien de aanvraag van de vreemdeling wordt afgewezen, wordt een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin de vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod wordt opgelegd in overeenstemming met A5/1 (zie artikel 66a Vw en zie A5/1).

    Vc 2013
    vervallen

    top
    top
    top